donderdag 14 mei 2009

Avondje zee

(Een kort stukje geschreven tijdens de grote vakantie)

"Doe je ogen maar open." fluister je terwijl je je handen van mijn ogen haalt. Voor mij zie ik de horizon, volledig gevuld met het zonlicht weerspiegelende water van de zee. Ik kijk je met ongelovige ogen aan. "Je hebt me naar de zee gebracht?" Grinnikend kijk je terug, met ogen stralend van plezier. Plots pak je mijn hand vast en begin je te rennen, mij mee trekkend de duin af en door het zand, recht de zee in. Door de kracht van het water worden we vertraagd tot we nog amper vooruit komen. Daar draai je je naar mij toe en pak je ook mijn andere hand vast. Het water glinstert op je gebruinde borstkast. Met een intense blik kijk je me aan en langzaam kom je dichterbij. Ik voel hoe je je arm om mijn middel legt en me langzaam naar je toe trekt. Maar dan ga ik ineens kopje onder en spartelend probeer ik terug boven water te komen. Met een grijns op je gezicht loop je langzaam achteruit, verder van mij vandaan. Maar ik spring op je af en duw je uit allemacht ook het water in, zonder er om te geven dat ik zelf ook weer helemaal nat wordt. Ik probeer zo snel mogelijk los te komen en ren terug naar het strand, maar je rent me achterna en voor ik het weet word ik opgetild en lijkt het alsof ik vlieg. Met een plons beland ik terug in het water. Zo snel als ik kan sta ik terug recht en ren op je af, maar jij rent ondertussen al het strand op. Ik zet de achtervolging in en ondanks dat ik weet dat je je laat vangen, speel ik mee en trek ik je uit alle macht terug naar het water. Wanneer ik het water weer tot mijn enkels voel, begin ik je nat te spetteren. Met je handen voor je uit om het water tegen te houden kom je op mij af en lachend ren ik terug het strand op. Je komt me achter na en voor ik het weet liggen we door het zand te rollen tot we uitgeput op onze rug liggen. We kijken naar boven en lachen om de vormen van de wolken. Rustig zet ik me recht en kijk ik naar de steeds meer dalende zon. Ik voel hoe je naast me komt zitten, juist zo dat onze armen elkaar zachtjes strelen. Ik kijk naar je en zie hoe je met gesloten ogen van het moment geniet. Dan draai je je hoofd naar me om en kijk je me recht aan. Later zal je zeggen dat ik er toen schattig uit zag met mn natte haren en een glimlach op mijn lippen, maar ik herinner me enkel dat ik naar jou keek, dat je je lichtjes naar me toe boog en me kuste. Jouw lippen tegen de mijne. Alles om me heen verdween en tijd bestond niet meer. Enkel dat moment, jij en ik. Langzaam open ik terug mijn ogen en voel ik dat ik straal.

maandag 13 oktober 2008

de morgen

Nu de zon boven de horizon verschijnt en begint aan haar lange weg over ons heen en ook het water in de bron begint te stijgen om daarna weer af te dalen via de kronkelige beekjes. Dan zal ook ik nu opnieuw beginnen. Als je mee wil, neem mijn hand en volg me richting de zon via de oevers van de beekjes.

dinsdag 26 augustus 2008

"My Dreams"

We slaan een hoek om en voor mij zie ik een verlaten en vervallen weg met een blinde muur aan de rechterkant. Naast mij loopt een oudere man met een donkere huidskleur. Ik weet niet wie hij precies is, alleen dat hij me geholpen heeft. En als ik naar hem kijk, kijkt hij met een liefdevolle glimlach terug. Wanneer ik terug naar de muur kijk verandert deze in vier garages waarvan de roldeuren langzaam open schuiven. Elk van de ruimtes is gezellig ingericht met als hoofdmeubel een slaapzetel. Ik kijk de man vragend aan, maar hij loopt door naar de drie mensen van wie de kamers zijn. Wanneer ik hem achterna loop, draaien ze zich naar me toe en zeggen dat we voor de komende tijd afscheid moeten nemen. Wanneer de tijd komt dat ik terug hulp nodig heb, kan ik hier terug komen en op een knop drukken die aan een omgevallen paaltje zit. Die zou de deuren openen. Na een laatste glimlach naar mij toe lopen ze elk richting hun eigen kamertje en zetten zich in de zetel. Langzaam sluiten de deuren zich. Een gevoel van verlatenheid en eenzaamheid komt over me heen. Uit nieuwsgierigheid en onzekerheid druk ik op de knop, maar wanneer de roldeuren zich openen, liggen de vier mensen al diep in slaap. Ik sluit de deuren weer en loop weg van de terug blind geworden muur. Wanneer ik de hoek omsla staat er een prachtige luxe wagen. Ik weet dat de wagen voor mij bedoelt is, maar toch is er een ander meisje die probeert erin te komen. Een beetje geirriteerd duw ik haar weg en stap in de wagen. Het lijkt of hij vanbinnen veel ruimer is dan van buiten gezien. Om me heen liggen allerlei soorten van rommel. Een fietsenwiel ligt zelfs bij mijn pedalen, maar zonder er me zorgen over te maken rij ik weg. Opeens rij ik op een heel drukke weg. Overal om me heen lopen mensen, staan kraampjes en worden hekken geplaatst of juist weggenomen. Ik probeer er tussendoor te rijden, maar het lukt niet. Ze zetten hekken dwars over de weg waardoor ik moet keren en als ik dan de andere kant op wil, halen ze de hekken achter me weer weg om ze terug voor mij neer te zetten. Het fietsenwiel dat half onder mijn stoel ligt begint ineens te irriteren en terwijl ik dat probeer weg te halen tijdens het rijden, beginnen de mensen in de straat ook nog eens lastig te worden en tegen me te schreeuwen. Steeds meer in het nauw gedreven en rondjes rijdend begin ik te paniekeren. Maar vlak voordat ik het mentaal begeef, wordt er een van de portieren open getrokken, stapt er een jongen in en slaat de portier weer dicht. Vanaf zijn plaats op de achterbank spreekt hij me kalmerend toe en gidst me uit de chaos van de straat. Ik verwonder me over hoe knap hij is, maar sta er niet lang bij stil, want de weg verandert in een rustige baan volledig in open veld. In de verte is er een grenscontrole. Ik begin te merken dat mijn rem het niet goed doet en als we bij de douane aankomen kan ik niet op tijd stilstaan en sta een paar meter voorbij het hokje. Ik zet hem in zijn achteruit en probeer zachtjes op de juiste plaats te stoppen, maar weer wil de rem niet en ga ik te ver door naar achter. Weer terug in zijn vooruit, hetzelfde. Terug achteruit. Vooruit. Achteruit. Vooruit. En eindelijk sta ik juist. Ik laat het raam van de autodeur zakken om met de man in het hokje te kunnen praten. En nadat ik wat vragen beantwoord, krijg ik te horen dat ik fout sta. Ik moet terug achteruit en naar een hokje links toe. Behoorlijk geirriteerd rij ik terug acheruit en neem de straat naar de linker kant. Maar waar een hokje zou horen te staan is gewoon een open plek. De straat loop rustig verder, zonder bochten of kronkels. Ik zet de auto even aan de kant en kijk wat er met de rem scheelt. Onder de rem zitten twee dikke, zachte ringvormige stukken, alsof de auto net nieuw is en dat als bescherming er om zat. Ik gooi de stukken achter in de auto en zet mij terug achter het stuur. De jongen verplaatst zich naar de zetel naast me en dan rij ik verder. Ik voel me gelukkig. Gelukkig omdat alles in orde is gekomen en gelukkig met de jongen die mij door de moeilijke tijd heeft geloodst.


zaterdag 16 augustus 2008

Kessenich

Achter mij sluit ik de deur en loop de tuin in. Het is donker om me heen. We hebben geen nachtsensor meer en een beetje op goed geluk loop ik naar het hek, de kuilen ontwijkend. Met Roeska aan de leiband sta ik alleen op straat. Het is nog maar net half 11 en nu al doodstil om me heen. Voor mij staat de kerk als een groots en machtig bouwwerk, zacht door de lichte kleur van de stenen, maar doods door de zwarte ramen. Net als de huizen in de rest van de straat. Het lijkt alsof er niemand is. Gesloten rolluiken en zware gordijnen verbergen wat zich binnenhuis afspeelt. Ik voel me als een soldaat die de vijandelijke basis door sluipt. Is dit mijn thuis? Is dit het dorpje waar je overdag vriendelijk wordt begroet door de mensen? En eens temeer verlang ik terug naar Nederland. Het slaapt er misschien 's nachts, maar doods is het er nooit. In de verte hoor ik een auto starten, maar het geeft geen gevoel van verwandschap, geen verband tussen twee personen die nog wakker zijn. Het hoort niet bij dit lege dorpje. Traag loop ik verder. Onrustig blijf ik een beetje om me heen kijken. Hoe vreemd is het dat ik me hier zo ongemakkelijk voel. Een plaatsje waar nooit iets gebeurd. Pas wanneer ik de deur terug achter me dicht doe en op slot draai haal ik opgelucht adem.

dinsdag 3 juni 2008

Pas dan

Wanneer ogen terug stralen na het glinsteren.
Wanneer het hart terug slaat zonder te versnellen.
Pas dan kunnen vleugels ontvouwen en weer vliegen.

Wanneer vervallen muziek terug verder speelt.
Wanneer gordijnen terug  plaats maken voor zicht.
Pas dan haalt de sopraan weer de hoogste noot.

zaterdag 24 mei 2008

Tussenstop

Met een langzame beweging draait ze zich naar haar spiegelbeeld in de ruit. De wind speelt zachtjes met haar haar en de zon doet het glanzen. Haar groene ogen volgen de lijnen van haar gezicht. Zou ze de fonkeling in haar eigen ogen zien? Of de glans van haar haar? Ik denk het niet, want er vormen zich tranen in haar ogen. Ze kijkt verder, dieper in zichzelf dan iemand anders ooit zou kunnen. Minuten lang blijft ze staan, kijkend in haar ziel. Ik vraag me af wat haar bezighoudt. Ze beweegt niet, maar achter haar ogen wordt er duidelijk gevochten. Dan komt er een verandering op haar gezicht. Ze ademt diep in en slikt haar tranen weg. Haar schouders zakken, terwijl haar rug zich strekt. Ze kijkt zichzelf nog steeds aan, maar nu met zelfzekerheid. En met een bijna onzichtbaar knikje naar zichzelf, vervolgt ze haar weg in het leven. 

maandag 19 mei 2008

Foto

Naast me ligt een foto, twee lachende gezichten kijken me aan. Ik ken ze wel die gezichten. Een ervan is van mij de andere van hem. Mijn gedachten gaan terug naar de dag dat de foto gemaakt werd en een glimlach verschijnt op mijn lippen. Mijn hart begint sneller te kloppen bij de herinnering aan hem als de persoon die hij toen was. Hij was mijn beste vriend. Hij vertelde me zijn verlangens, zijn dromen, maar ook zijn zorgen. En hij heeft mij geleerd hetzelfde te doen, al was het zwaar. Hardleers noemen ze het, maar hij gaf niet op en daar ben ik hem dankbaar voor. Maar die persoon bestaat niet meer, hij heeft plaats gemaakt voor wie hij nu is. Een persoon die ik niet ken. Een persoon die niet tegen mij praat. En ik vraag me af of ik nu de persoon voor hem moet zijn die hij toen voor mij was. Of hij wil dat ik die persoon ben. De vraag blijft door mijn hoofd gaan. Minuten lang. Er komt geen antwoord. Ik kijk nog eens naar de foto, maar deze keer doet het me niets. Want ik zie de persoon die hij nu is, die mij heeft laten gaan. En ik beschuldig hem nergens van, want ik ken hem niet en hij kent mij niet.